Historisch Heusden: Het Cisterciënzerklooster Mariëndonk in Elshout

Foto: Bart Beaard

Een nieuwe Aflevering van Historisch Heusden geschreven door Bart Beaard en deze keer gaat het over Het Cisterciënzerklooster Mariëndonk in Elshout.

In vele dag- en regiobladen staat omstreeks 8 februari 1950 het volgende bericht afgedrukt:  “Tarcisius van Schijndel, pater van de Cisterciënzer Abdij Mariënkroon te Nieuwkuijk, heeft met medewerking van de wichelroedeloper Cor de Gouw in Elshout fundamenten ontdekt van het oude klooster Mariëndonk, daterend uit de vijftiende eeuw. Met de vondsten, door middel van de wichelroede gedaan, en met de gegevens uit oude archieven heeft men een plattegrond van het klooster kunnen maken”.

Het klooster Mariëndonk
Al in 1384 is er in Heusden een Cisterciënzer monnikenklooster in een “stenen huis”, aan de stadsgracht De Demer, op de noordoosthoek  van de Lombardstraat. Het beschikt over veel land, dat voor een groot gedeelte verloren gaat met de Sint-Elisabethsvloed in 1421. In 1430 neemt prior Everardus van Goch het initiatief voor een meer teruggetrokken kloosterleven en krijgt de kans een uithof te beginnen “op den Donk”, een hoger gelegen zandrug tussen Drunen en Vlijmen, vier kilometer naar het zuiden, bij Elshout in de parochie Oud-Heusden. Het is rustiger gelegen en men hoeft niet te vrezen voor overstromingen. In die periode wordt ook een dijk, die we nu kennen als de Elshoutse Zeedijk, aangelegd. Er komen een huis, een schuur, een kapel en er wordt een gracht gegraven. Voor de gebouwen worden vanuit Engelen vijfentwintigduizend bakstenen aangevoerd. Men beschikt bovendien over de twee Donkse wielen en er staat een rosmolen. Everardus van Goch wordt in 1441 de eerste prior van “Sancte Marie Op die Donck” en blijft dat tot zijn dood in 1461. In de periode 1468-1486 wordt een kloosterkerk met dertien altaren gebouwd, alsook nieuwe kloostergebouwen. Tijdens de Gelderse oorlogen wordt in 1528 het klooster getroffen door plunder en brand. Met de Reformatie in 1568 breken er nog moeilijkere tijden aan. In 1577 nemen de monniken de wijk naar Den Bosch en in 1579 wordt Mariëndonk door de Geuzen geplunderd en met de grond gelijk gemaakt. In 1610 moet het bezit van Mariëndonk overgedragen worden aan de Staten van Holland. Wanneer Den Bosch in 1629 door prins Frederik Hendrik wordt ingenomen, moet het klooster worden opgeheven. In het 150-jarig bestaan van het klooster hebben er omstreeks 56 geestelijken en 14 lekenbroeders voor langere of kortere tijd gewoond. Gemiddeld wonen er 11-12 geestelijken.

Archeologische opgravingen
Sinds zijn intrede in 1930 in de toenmalige priorij ”Onze Lieve Vrouw van Onsenoort”, later Priorij en vervolgens Abdij Mariënkroon, is de aandacht van pater Tarcisius van Schijndel (1912-1992) gevestigd op de historische plaats waar eens het oude en zo beroemde klooster Mariëndonk van de Cisterciënzers gestaan heeft en waarvan ongetwijfeld nog sporen in de grond te vinden zullen zijn. In 1943 is de eerste oprichting van Heemkundekring Onsenoort en meteen wordt al door Cor de Gouw en Cor Hornman een onderzoek ingesteld op het terrein van het klooster. Wegens oorlogsomstandigheden wordt het werk gestaakt. Pas in 1949, als ook de heemkundekring in 1947 voor een tweede maal is opgericht, worden de onderzoeken en opgravingen hervat. Dan ontstaat er een ”Oudheidkundecommissie” bestaande uit Cor de Gouw, wichelroedeloper, Ad Veltman, veldtekenaar, Janus van Engelen, voorgraver en pater Tarcisius van Schijndel, “archeoloog” en coördinator. Op 10 juli 1949 maken Cor de Gouw en Ad Veltman een voorlopige schetstekening van de opgegraven funderingen, waarvoor ook de gegevens van de bewoners in de buurt gebruikt zijn. Eeuwenlang zijn de bewoners en/of grondeigenaren geconfronteerd met puin in hun landbouwgrond.

Als eenmaal de gewassen van het land geruimd zijn wordt op een aantal zondagen een meer diepgaand onderzoek uitgevoerd. Na enkele metingen door Cor de Gouw met de wichelroede, ontdekken De Gouw en Veltman de gehele fundering van de kloostermuur rond de vroegere gebouwen. Op aanwijzingen van De Gouw en van de grondeigenaren hebben De Gouw en Veltman vervolgens de funderingen van het grote gebouw aan de zuidzijde ontdekt. Ook nog een blinde muur van zuid naar noord, een dichtgemaakte vijver en het kerkhof, gedeeltelijk binnen en gedeeltelijk buiten de kloostermuur. Aan de noordzijde ligt de grote massale kloosterpoort, waarlangs een kleine kapel en het hospitium (slaapzaal) gestaan hebben, die volgens het kloosterarchief dienst hebben gedaan voor de gasten van ’t klooster. De ommuurde tuin heeft aan de oostzijde een lengte van 162,5 en aan de zuidzijde 56 meter. Ook hebben De Gouw en Veltman ontdekt dat de verbindingsweg Eindschesteeg, nu Mariëndonkstraat, voorheen op een andere plaats en veel noordelijker heeft gelegen. In de zomer van 1950 is van enkele funderingen de diepte en de breedte bepaald. De funderingen zijn extreem zwaar aangelegd met kloostermoppen, een groot formaat baksteen, en opgetrokken op de natuurlijke witzandlaag. De buitenmuren hebben dikten van 1,25 tot 1,90 meter en de binnenmuren zijn ongeveer 80 centimeter. In december 1951 zijn ook nog opgravingen gedaan, waarna de onderzoekingen gestopt zijn.

De toenmalige Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek wordt ook bij het onderzoek betrokken en noemt het “een terrein van hoge archeologische waarde”. De opgraving is ook gemeld bij Archis (nummer 373860), het informatiebestand van archeologische vondsten en opgravingen voor beroepsarcheologen. Maar veel is daar niet mee gedaan, omdat in die tijd de vondstmeldingen van amateurarcheologen automatisch beschouwd worden als onwetenschappelijk en dus onbetrouwbaar. Bij veldverkenningen in 1966 en 1990 is in de grond veel puin aangetroffen. De Donksche Wiel is in omstreeks 1965 gedempt met puin van het Drunense stationsgebouw, de boomstronken van de bomenrij in de Veilingstraat en met grond uit het talud van de nieuwe Maasroute. De sloot met bomenrijen vanaf de vroegere Donksche Wiel in oostelijke richting,  bestaat nog bijna tot aan de Provinciale weg N267.

Archeologie, nu
In het verleden hebben amateurarcheologen een hoofdrol gespeeld in het archeologische onderzoek, maar in de laatste decennia is archeologie steeds meer een beroep geworden. De archeologie is een professionele bedrijfstak geworden en kent inmiddels vele daarvoor gecertificeerde bedrijven.

Sinds 2007 kennen we de AMZ – Wet op de Archeologische Monumentenzorg – als uitwerking van de Verdrag van Malta uit 1992 en dat is de wijzigingswet op de Monumentenwet 1988. De hoofddoelen van het verdrag en voor de wet AMZ zijn:
< Archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren;
< Vroeg in de ruimtelijke ordening al rekening houden met archeologie;
< Bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen.
De verantwoordelijkheid is door het Rijk aan de Gemeenten overgedragen. Bij projecten wordt nu al in een vroeg stadium met archeologie rekening gehouden. Gemeenten hebben daarvoor kaarten met archeologische waarden en verwachtingen (hoge, middelhoge, lage of niet gekarteerde verwachting), waardoor het vooraf duidelijk is wat gedaan moet worden. Dat kan zijn: bureauonderzoek, boorpunten, sleuvenonderzoek of gehele opgraving. De archeologische onderzoeksbureaus zijn gehouden de lokale kennis erbij te betrekken en dat betekent dat de plaatselijke heemkunde- of historische kring gevraagd wordt naar hun kennis over vondsten in het onderzoeksgebied.

Heemkunde- en historische kringen kunnen onder een aantal condities toestemming krijgen voor een opgraving. Voor Heemkundekring Onsenoort is dat gebeurd met de projecten “Grachtvondsten Abdij Mariënkroon” te Nieuwkuijk en “Kasteel Hedikhuizen” in de Komwiel te Haarsteeg.

Bart Beaard

Pater Tarcisius ziet men op nevenstaande foto aan het werk. Naast de tekening waarschijnlijk een tegeltje, zoals gevonden bij de opgravingen Hongerenburcht in Haarsteeg en de Abdij van Berne in Berne. Collectie Bart Beaard.

 Wichelroedeloper Cor de Gouw hanteert op deze afbeelding zijn wichelroede, waarmee hij muurresten in de bodem heeft kunnen opsporen. Collectie Anton van der Lee.

 Janus van Engelen onderzoekt de 1,5 meter brede fundering, gemetseld van kloostermoppen. Collectie Anton van der Lee.

 Ad Veltman maakt in 1949 en 1950 een tekening waarop de fundering van het klooster in het rood is aangegeven. Collectie mevr. Antoinette Veltman.

Begin de dag met het nieuws uit je gemeente met de gratis Nieuwsbrief. KLIK HIER en meld je aan.
Aanvoerder van het lokale nieuws.

Reacties