Historisch Heusden: Pater Herman-Jozef van Hulten leert weer eten na Jappenkamp

Foto: Bart Beaart

Een nieuwe Aflevering van Historisch Heusden geschreven door Bart Beaard en deze keer gaat het in deel 116 van Historisch Heusden over Pater Herman-Jozef van Hulten leert weer eten na Jappenkamp. Wanneer de Kapucijner pater Herman-Jozef van Hulten (*Drunen, 5 januari 1907) begin 1938 naar de missie in West-Borneo in Nederlands-Indië vertrekt is het hem bekend dat de Jappen ‘landhonger’ hebben wegens de enorme overbevolking van hun land en bezig zijn de eindeloos lange Chinese kust te bezetten.

De uittocht uit Sedjiram op 21 juni 1942; overgave aan de Japanners. Collectie Herman-Jozef van Hulten

Japan is militair sterk en met een reusachtige vloot uitgerust. Wanneer de pater in Singapore moet overstappen van de zeeboot Sibajak naar de kleinere boot Kung Hwa, die hem naar Pontianak moet brengen, ziet hij de Britse vloot liggen. Pontianak is de hoofdstad van West-Borneo, sinds 1905 ook het missiegebied van zijn kloosterorde. Herman-Jozef gaat door naar zijn eerste statie, 600 kilometer het binnenland in en dat vergt 12 dagen stroomopwaarts varen over Kapoeasrivier. Het voornaamste doel van zijn werk is de vorming van kerkgemeenschappen in staties. Maar om daarmee succes te boeken moet veel energie gestoken worden in: onderwijs, gezondheidszorg, ziekenverzorging, melaatsenverpleging en verbetering van landbouwmethoden.

In oorlog
Op 7 december 1941 begint Japan zijn onverwachte aanval op Pearl Harbour. Met één slag is de Amerikaanse vloot en luchtmacht uitgeschakeld. Ook zijn de Britse en Nederlands-Indische vloot snel uitgeschakeld. Op 10 februari 1942 landen de Jappen op Brits-Borneo bij de havenplaats Kuching. Omdat de Japanners bang zijn dat Nederlandse religieuzen anti-Japanse opvattingen zullen uitdragen worden zij geïnterneerd in het interneringskamp bij Kuching in Brits-Borneo. Dat betreffen ook broeder Wenceclaus Burghouts uit Heusden, paters Herman-Jozef van Hulten en Wilbertus de Wit uit Drunen en pater Lambertus van Kessel uit Vlijmen. Dit artikel verhaalt het verblijf van pater Herman-Jozef van Hulten in Kuching, waarbij gebruik gemaakt is van zijn biografie met de titel ‘Mijn leven met de Daya’s 1938-1974’.

Naar Kuching
Wanneer op 8 maart 1942 Nederland zich overgeeft bevindt Herman-Jozef zich in Sedjiram, zijn tweede statie. De bevolking daar bestaat voornamelijk uit Daya’s, de vroegere koppensnellers, en uit Maleïers, meestal islamieten. De statie heeft zijn kerk, enkele woningen en een polikliniek. Het nieuws van de overgave verneemt hij via een oude radio. Dan begint de internering, allereerst aan de kust. Pas na enkele maanden komt er in Sedjiram een boot met Jappen om Nederlandse en Britse gevluchte militairen op te halen. De paters, broeders en zusters krijgen bericht om zich op eigen gelegenheid over te geven. De bagage wordt ingepakt en op 21 juni begint, na een Eucharistieviering, de uittocht uit Sedjiram. Het zal bijna vier jaren duren voordat Herman-Jozef hier terug is. In Pontianak per boot aangekomen worden alle religieuzen door militaire auto’s opgehaald en ondergebracht in de broeder- en zusterhuizen. Op 14 juli 1942 worden zij per boot naar het noorden gebracht, 100 kilometer varen over de Kuchingrivier, en komen enkele dagen later aan bij Batoe Lintang, een oud Engels kampement.

Plattegrond met legenda van het interneringskamp Kuching

Verblijf in Kuching
Het kamp bestaat uit een groot aantal barakken. Stroom en water is er beperkt aanwezig. Eenieder heeft er een plek, juist voldoende om er zijn matje uit te rollen. Tezamen ruim 3000 personen. De groep van omstreeks 70 paters en 40 broeders krijgt een aparte afdeling, afgezet met prikkeldraad. Aan de buitenkant van het kamp zijn wachtposten met artilleriegeschut. De groep mag elke morgen een gezamenlijke Eucharistieviering houden. De Japanse kampcommandant Tatsuji Suga heeft in China kennis gemaakt met deze katholieke gewoonte.

Aanvankelijk is graafwerk bij het vliegveld het dagelijks werk in de felle zon met blote rug. De kleding is niet meer dan een klein lendendoekje met linten verbonden. Het vervoer gebeurt met open lorries. Een massa werkers is overal doende. Later wordt het werken in de groentetuin van het kamp en in de bossen het kappen van grote hoeveelheden stookhout.

De Drunense paters Wilbertus de Wit en Herman-Jozef van Hulten (rechts). De foto is in 1948 genomen nog vóór hun eerste vakantie naar Nederland. Collectie Herman-Jozef van Hulten.

In het begin is er voldoende eten, maar dat wordt steeds minder en slechter. Hij ondervindt aan den lijve wat het betekent: honger lijden tot aan de rand van de dood. En voor een bekertje eten moet  men in een lange rij staan en dat meerdere malen per dag. “Rondom ons heen zien wij vooral het laatste jaar dag aan dag Engelse militairen op de rand tussen

leven en dood. Wrakken van mensen, de botten van alle kanten zichtbaar, totaal ingevallen gezichten; hun schop kunnen ze maar amper vasthouden. De Japanners noemen hen halfdoden. Na een aantal dagen is dit groepje ‘halve doden’ ‘helemaal dood’. Dagelijks sterven er minstens tien. Vaak mee’, is een van de passages uit het werk van Van Hulten.

Het laatste jaar is heel zwaar geweest voornamelijk door de voortdurende pesterijen en vernederingen van het Japanse bewakingspersoneel en het steeds nijpender wordende voedselgebrek. Bijna 1000 man zijn er gestorven, bijna een derde, ten gevolge van uitputting, honger, ziekte, gebrek aan medicijnen en dysenterie door slechte hygiëne. Onder de gestorvenen: 3 Kapucijner paters en 6 zusters van de Congregatie Zusters van Veghel.

Bevrijding
Aan de ellende komt een einde op 15 augustus 1945 wanneer Japan capituleert. Het duurt dan nog vier weken voordat de gevangenen in Kuching hun vrijheid terugkrijgen. De pater weegt nog maar 50½ kilo. Hij schrijft daarover in zijn boek:

‘Na een paar dagen komen de eerste geallieerde vliegtuigen voeding en kleding droppen op een groot open plein. Het is een onbeschrijflijke vreugde dat wij na vier jaar weer gewone  spijzen zien: brood, boter, kaas, vlees, melk. Voor die plotselinge overvloed zijn wij wel terdege gewaarschuwd. We moeten opnieuw leren eten!’. Voor recuperatie worden oud-gevangenen met een Amerikaans oorlogsschip naar het eiland Labuan gebracht. Na vier jaar is hij in maart 1946 weer terug in Sedjiram. Het is een weerzien onder tranen van vreugde. Langzamerhand komt het gewone leven weer terug.

Kapucijner pater Herman-Jozef van Hulten (1907-1994)

Na de oorlog
Na 12 jaar in de missie gewerkt te hebben gaat Herman-Jozef in 1948 voor de eerste maal met de boot terug naar Nederland voor een jaar vakantie. Hij is Indonesisch Staatsburger geworden om er te kunnen functioneren. Uiteindelijk blijft hij er tot de zomer van 1974 werken. Naast het zendingswerk gedurende 36 jaar heeft hij veel gedaan aan de ontwikkeling van de landbouw. Hij overlijdt in Tilburg op 27 januari 1994 en wordt begraven op het kloosterkerkhof. Hij is begraven in witte windsels zoals de Daya’s hun doden wikkelen en die hij meegekregen heeft bij zijn afscheid in Indonesië.

Bart Beaard

Begin de dag met het nieuws uit je gemeente met de gratis Nieuwsbrief. KLIK HIER en meld je aan. Aanvoerder van het lokale nieuws.

< Kijk hier voor agenda
< Volg HeusdenNieuws ook via
Facebook
< Wist u dat wij iedere morgen meer dan 4000 nieuwsbrieven verzenden
< Wist u dat wij iedere dag meer dan 10.000 bezoekers hebben op onze website
< Adverteren op Heusden.Nieuws.nl stuur een
mail

Reacties

Cookieinstellingen