Een nieuwe Aflevering van Historisch Heusden geschreven door Bart Beaard en deze keer gaat het in deel 258 van Historisch Heusden over "De Emmamolen van Nieuwkuijk'. In 1886 liet de
Elshoutse molenaarsweduwe Maria Rombouts-Peters voor haar zoon Janus een nieuwe
stellingmolen bouwen. Het benodigde perceel werd aangekocht van de toenmalige
gemeente Nieuwkuijk en Onsenoort.
De molen werd aan de Meerdijk gebouwd,
westelijk van de weg Nieuwkuijk-Helvoirt. Het open landschap aan de zuid- en
westzijde moest zorgen voor een vrije windvang. De vlucht, de diameter die het
wiekenkruis beschrijft, bedroeg 24,6 meter.
In 1890 kreeg de molen
de naam Emmamolen, genoemd naar Emma van Waldeck-Pyrmont (1858-1934). Zij was in
1890, na het overlijden van haar echtgenoot koning Willem III (1817-1890),
koningin-regentes voor haar minderjarige dochter Wilhelmina. Verschillende
generaties van de familie Rombouts oefenden hier het molenaarsvak uit. De
Emmamolen is een stellingmolen en bovenkruier. De ronde bakstenen romp bestaat
uit meerdere verdiepingen en wordt omgeven door een stelling. De molen is als
rijksmonument ingeschreven onder nummer 37876.
Gemeente Vlijmen
In Vlijmen waren na de tweede wereld oorlog de windmolens
Nooit Gedacht van Roos aan de Julianastraat en die van Kools aan De Akker
gesloopt. Gemeente Vlijmen wilde voorkomen dat ook de Emmamolen verloren zou
gaan. Daarom kocht zij de molen in 1960 van André Rombouts voor ƒ 5.000. Op 28
oktober 1963 keurde de gemeenteraad een restauratieplan goed. Aanvankelijk werd
ƒ 36.486 beschikbaar gesteld. De werkzaamheden werden uitgevoerd door
aannemingsbedrijf Nico de Bont uit Nieuwkuijk en molenbouwer M. Bos uit Almkerk.
De restauratie bleek echter omvangrijker dan verwacht en de uiteindelijke
kosten bedroegen ƒ 84.921. De feestelijke oplevering van de gerestaureerde
molen vond plaats op 27 november 1967. De grondige restauratie redde de
Emmamolen van de ondergang. In 1967 werd de molen bovendien uitgeroepen tot
‘Molen van het Jaar’. In 1993 werd de oorspronkelijke ijzeren stelling
vervangen door een houten. die beter aansloot bij het historische karakter van
de molen.
De opbouw
De Emmamolen werd samengesteld uit onderdelen
die deels afkomstig waren van elders. Bijzonder is de gietijzeren bovenas, die
in 1853 werd gegoten bij de firma Penn en Comp. in Dordrecht. De ongeveer vijf
meter lange bovenas vormt een belangrijk onderdeel van het aandrijfmechanisme. De
ronde bakstenen romp is gemetseld in kruisverband. Rond de romp bevindt zich de
stelling. Vanaf deze stelling kan de molenaar de molen bedienen en onderhouden.
Met de kruilier kan hij de molenkap naar de wind draaien. Dit draaien van de
kap wordt kruien genoemd. Ook worden de zeilen op de wieken vanaf de stelling verlegd.
Op de begane grond bevindt zich een poortachtige toegang met een rondboog. Deze
grote opening was oorspronkelijk bedoeld om met paard en wagen de molen binnen
te kunnen rijden.
Foto Links: Molenaar André Rombouts (1931-2013) links en vrijwilligermolenaar Kees
Fitters (1960-2015) hadden beiden veel kennis en kunde op het gebied van malen,
molenstenen en molenonderhoud. Foto 1993 Collectie Nico de Bont.
Foto Midden: Op de steenzolder liggen de maalstenen in een
houten steenkuip. Een koppel maalstenen bestaat uit een draaiende bovensteen,
de loper, en een stilstaande onderste steen, de ligger. De loper wordt
aangedreven door het staakijzer. Collectie
Marcel van Nies.
Foto Rechts: Het grote spoorwiel drijft het rondsel aan,
waaraan het staakijzer is bevestigd. Dit brengt de lopersteen in beweging. Het
graan wordt komt via de schuddebak in de opening van de lopersteen. Collectie Pieter Zuijkerbuijk
De werking van de molen
< Het wiekenkruis
Het wiekenkruis heeft een vlucht van 24,6
meter en wordt door de wind in beweging gebracht. Het bestaat uit een
binnenroede en een buitenroede, voorzien van hekwerk, windborden en zeilen. Tot
1987 had de Emmamolen geklonken roeden. Deze oude roeden zijn bewaard gebleven
en liggen naast de molen. Tegenwoordig heeft de molen gelaste roeden van het fabricaat
Derckx. Om optimaal gebruik te maken van de wind, moet het wiekenkruis steeds
haaks op de wind worden geplaatst. De molenaar draait daarvoor met de kruilier
de kap en het wiekenkruis naar de juiste windrichting.
< De kapzolder
Op de bovenste, vijfde verdieping bevindt
zich de kap- of smeerzolder. Hier bevindt zich de circa vijf meter lange
bovenas, waaraan het wiekenkruis is bevestigd. Rond de bovenas bevindt zich het
bovenwiel, met een diameter van ongeveer vier meter. Dit houten wiel brengt de
beweging via de bonkelaar over op de koningsspil, de grote houten verticale as
die door de molen loopt.
De houten molenkap heeft de kenmerkende vorm
van een windmolen en is met dakleer bekleed. De kap rust met stalen rollen op
een stalen ring, waardoor zij volledig kan worden gedraaid. Zo kan het
wiekenkruis steeds op de wind worden gericht. Op de bovenas bevindt zich
bovendien de vang, waarmee de molenaar het wiekenkruis kan afremmen en tot
stilstand brengt.
< De luizolder
Aan de koningsspil is de luitafel bevestigd.
Deze brengt de beweging over op de luias. Met een dik touw kunnen hiermee
zakken met graan of meel door de molen worden opgehesen. Dit hijswerk wordt het
luiden genoemd. De zakken worden naar de steenzolder gebracht, waar het graan
wordt gemalen.
< De steenzolder
Op de steenzolder bevinden zich de
maalstenen, die in een houten steenkuip zijn opgesteld. Een koppel bestaat uit
een draaiende bovensteen, de loper, en een stilstaande onderste steen, de
ligger.
Via het spoorwiel en het steenrondsel wordt
de steenspil aangedreven. Het staakijzer drijft de loper aan. Door de afstand
tussen de loper en de ligger te veranderen, kan de molenaar de fijnheid van het
meel bepalen. Het graan wordt vanuit een zak in de graantrechter, het kaar,
gestort. Via de schuddebak valt het graan door het kropgat in de lopersteen en
komt het tussen de beide maalstenen terecht. Door de draaiende beweging wordt
het graan vermalen en naar de buitenzijde van de stenen gevoerd. De maalstenen
hebben een diameter van ongeveer 1,5 meter en zijn circa 20 centimeter dik. De
meeste zijn kunststenen zijn vervaardigd uit onder andere gemalen amaril en
kwarts.
< De meel- en of maalzolder
Het gemalen graan verlaat de steenkuip en
wordt via de meelpijp naar de meelbak geleid, waar het in meelzakken wordt
opgevangen. Deze zolder is een belangrijke werkplek van de molenaar. Vanaf hier
heeft hij toegang tot de stelling en kan hij de wieken op de wind zetten en de
zeilen voorleggen. Tijdens het malen houdt hij het maalproces voortdurend in de
gaten. Door de afstand tussen de maalstenen te veranderen, regelt hij de
fijnheid van het meel. Met de vang kan hij het wiekenkruis afremmen of de molen
volledig stilzetten.
< Horeca en maalvaardigheid
Vanaf 1993 werd de molen door de gemeente
verpacht aan Kees van Buul, die toen een molenaarsopleiding volgde en het
molenaarsvak van André Rombouts leerde. Op de benedenverdieping, waar zich
oorspronkelijk onder meer opslagruimten bevonden, werd een horecagelegenheid
ingericht.
Oud-molenaar André Rombouts en molenkenner
Kees Fitters hebben zich jarenlang ingezet voor de bekendheid van de Emmamolen
en voor het behoud van kennis over het eeuwenoud molenaarsvak. De Emmamolen is
nog steeds maalvaardig. Bij voldoende wind wordt er op beperkte schaal spelt
gemalen. Dat meel wordt voor broodbakken gebruikt. Daarnaast wordt de molen
gebruikt voor rondleidingen en demonstraties. Bezoekers kunnen zo kennis maken
met de werking van een traditionele windmolen en met het eeuwenoude ambacht van
de molenaar.
Bart
Beaard