Een nieuwe Aflevering van Historisch Heusden geschreven door Bart Beaard en deze keer gaat het in deel 219 van Historisch Heusden Over Nederlands
geld in en na de Tweede Wereldoorlog. De Duitse bezetting
heeft een grote invloed gehad op de economie van ons land, welke in de
oorlogsjaren geheel ontwricht raakt. Ook is er een grote hoeveelheid zwart geld
in omloop gekomen.
Het is minister van
Financiën P. Lieftinck die in 1945 op succesvolle wijze het probleem heeft aangepakt
door alle geld ongeldig te verklaren en nieuw geld in te voeren.
Geld in de oorlog
Meteen
na de inval van de Duitsers in Nederland op 10 mei 1940 krijgt een aantal gemeenten,
waaronder Waalwijk, toestemming om noodgeld uit te geven, om zo geldschaarste
te voorkomen. Dat noodgeld, in biljetten, heeft een waarde van ƒ10,-, ƒ5,-, ƒ1,-
en ƒ0,25. Al op 17 mei wordt de machtiging ingetrokken, want het geldverkeer is
weer redelijk normaal op gang gebracht. Al het noodgeld wordt weer uit de
circulatie genomen en vernietigd. Aansluitend wordt het papieren geld met afbeeldingen
van leden van het Koningshuis, vervangen door papieren geld met andere
afbeeldingen. Het tiengulden model ‘Staalmeester’ uit 1943 is het meest
bekende.
Ook
beginnen de Duitsers met de inwisseling van Koninkrijksmunten. Het gaat dan
vooral om het koper, dat de Duitsers willen gebruiken voor het maken van
munitie en wapens. Ondanks dat er een celstraf van een half jaar of een geldboete van
duizend gulden staat op het (illegaal) bezit van de ‘oude’ munten is er
uiteindelijk slechts 6,5 % ingeleverd. Ter vervanging van de
Koninkrijksmunten en om de schaarste op te lossen worden op 15 januari 1942
door de Duitsers zinken munten ingevoerd. Er komen vijf zinken munten met de
waarden van 1, 2½, 5, 10 en 25 cent.
Vervolgens worden de bankbiljetten van ƒ500, - en ƒ1000, -
ingenomen. Ook dit heeft de bezetter weinig opgeleverd; de inspecteurs van Nederlandse
belastingen hebben de bevoegdheid om in de daarvoor in aanmerking komende
gevallen de tegenwaarde van de ingeleverde bankbiljetten te vergoeden. Zij
hebben dit vooral gedaan ten gunste van de ondergrondse beweging. Het
voornaamste doel van de Duitsers om deze bankbiljetten in te trekken is, de grootste
zwarthandelaren hun winsten te ontnemen als ze niet kunnen bewijzen, dat ze
deze op legale wijze hebben verkregen.
In september 1944 wordt door de Nederlandse Bank, in
opdracht van de Duitsers, een maatregel ingevoerd om de geldcirculatie te
beperken. Er wordt bepaald dat over saldi bij banken, spaarbanken,
giro-instellingen en levensverzekeringsmaatschappijen, behoudens voor zover het
betreft de betaling van lonen, salarissen, provisies e.d., over niet meer mag
worden beschikt, dan een bedrag van ƒ100, - per week. Maar uiteindelijk komt er
steeds meer ‘zwart geld’ in omloop.
Zwart geld
Na de bevrijding In 1945 spreekt de minister van Financiën P. Lieftinck
zelfs van een ‘buiten alle verhouding gestegen hoeveelheid betaalmiddelen’. En
er is sprake van een enorme staatsschuld. Ook hebben de Duitsers op grote
schaal geld gedrukt om hun rekeningen te kunnen betalen. Nederland is na
vijf jaar van ‘Duitse afpersing’ zo berooid als niemand voor mogelijk heeft
gehouden’, zegt Lieftinck. Hij bindt de strijd aan met ‘de zwarthandel die een
portefeuille vol bankpapier heeft’ en pakt direct het probleem van het zwarte
geld aan. De
regering wil voorkomen, dat mensen die met de Duitsers geheuld hebben of op een
andere oneerlijke manier rijk zijn geworden in oorlogstijd, daar in vredestijd
van kunnen profiteren.
Op 6 juli 1945, Lieftinck is net twee weken minister, worden alle
biljetten van honderd gulden als een donderslag bij heldere hemel ongeldig
verklaard.
Alle honderdjes kunnen naar de bank gebracht worden, waar ze voor
onbepaalde tijd op een geblokkeerde
rekening worden gezet. Wie niet kan bewijzen dat hij het geld op eerlijke wijze
heeft verkregen, kan naar zijn geld fluiten en krijgt bovendien een proces
tegen zwarthandel aan zijn broek. Het is een vergaande maatregel. Voor de
uitvoering is één week de tijd gegeven. De inname van de honderdjes is nog maar
het begin. De geblokkeerde geldkraan houdt men goed dicht en verzoeken tot
deblokkering hebben nauwelijks zin.
In Drunen is Knilles Brok de enige kassier van de
Boerenleenbank, met af en toe een vrouwelijke hulp. Plotseling komt het gehele
dorp op hem af met biljetten van honderd gulden en met heel veel vragen, waarop
hij geen antwoord heeft. Niet alleen in Drunen, maar bij de banken in alle
steden en dorpen in Nederland, is dit het geval. Voor het merendeel zijn deze
banken zeer primitief gehuisvest. Veelal in de woning van de kassier, die ook
nog eens vaak door oorlogsschade gedeeltelijk vernield is. In Drunen is de
Boerenleenbank ondergebracht in een zaaltje van het broederklooster in de
Stationsstraat. Zie ook: Verhalen van vruger, deel 2, door Bert Meijs.
Foto Links:
Noodgeld van gemeente Vlijmen wat nooit
uitgegeven is. Collectie Nico de Bont
Foto Midden: De zinken oorlogsmunten.
De landsnaam ‘Nederland’ is weergeven, maar de verwijzingen naar het
Koningshuis zijn ontdaan. Collectie Bart Beaard
Foto Rechts:
Afbeelding van het ‘Tientje van Lieftinck’. Collectie
Bart Beaard
Het Tientje van
Lieftinck
De volgende stap is 12 september als met de “Beschikking
Geldzuivering 1945” al het Nederlandse papiergeld in één klap ongeldig wordt.
Iedereen krijgt van 26 september tot 2 oktober de tijd om zijn of haar geld
naar de bank te brengen. Het geld komt op een geblokkeerde rekening. De banken staan
onder een enorme werkdruk.
Lonen
worden in die week niet uitbetaald en iedere inwoner krijgt 10 gulden voor
de eerste uitgaven: het beroemde ‘Tientje van Lieftinck’. Iedere Nederlander
moet een week lang zien rond te komen van deze tien gulden. Heel even is
iedereen even rijk. Hoewel, het is helemaal geen tientje. Het zijn vijf
biljetten van een gulden en twee van een rijksdaalder. Met één biljet zou
niemand wisselgeld hebben. Door deze maatregel krijgt men grip op heel de
financiële wereld. Met de “Beschikking Deblokkering 1945” van 3 oktober 1945 wordt
het geblokkeerde geld geleidelijk vrijgegeven en vervangen door vers gedrukte
bankbiljetten. Dan ontstaat ook het giraal betaalverkeer en velen moeten dan
eerst een bankgirorekening openen. Op het einde van 1947 komt “Beschikking
Afwikkeling Geldzuivering” tot stand. Hiermee wordt de liquidatie van alles,
wat met geldsanering te maken heeft gehad, aangekondigd. Maar de afwerking
ervan heeft tot eind 1952 geduurd.
Bart Beaard