Tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609–1621) in de oorlog
tussen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en Spanje, werd de vesting
Heusden voor de tweede maal versterkt. De bolwerken met hun wallen, grachten en
poorten kwamen in een stervorm op grotere afstand van de stadsgracht te liggen.
Hierdoor ontstond een nieuw gebied, de ‘Nieuwstad’, waarin onder andere de Oudheusdense-
en de Sterrestraat werden aangelegd.
Hendrick Goossen bouwde in 1619 in de Oudheusdensestraat
de huidige woning 15 met een voorgevel in de Dordtse stijl. In de gevel werd een
steen geplaatst in de vorm van een cartouche, met daarop het jaartal 1619 en
een afbeelding van een bijl. De vorm van deze bijl duidt op een steekbijl,
gebruikt om hout te schillen. Mogelijk verwijst dit naar een houthandel van
Goossen, omdat er voor de vestingbouw, de aanleg van ophaalbruggen en de bouw
van huizen veel hout nodig was. Dit hout was vaak afkomstig uit het bos bij de
Norbertijnenabdij in Bern.
Foto Links: De woning werd gebouwd
met een trapgevel, maar heeft nu een kroonlijst. Foto Ad Hartjes
Foto Midden: De voorgevel van de
woning is 25 centimeter ‘op de vlucht’ gebouwd. Foto Ad Hartjes
Foto Rechts: De gevelsteen is een
cartouche met het reliëf van een houtsteekbeitel en het jaartal 1619. Foto Ad
Hartes.
Het pand heeft door de eeuwen heen veel eigenaren en
functies gekend. In het midden van de 18e eeuw, toen Heusden
regelmatig overspoeld werd met soldaten, dreef Jacob Hanenberg er een herberg.
Tot ergernis van het stadsbestuur werden daar veel dronken soldaten door ‘Kreupele
Willemijn’, een vrouw van lichte zeden, verleid om met haar mee naar huis te gaan.
Deze anekdote wordt uitvoerig beschreven in het boek ‘De Elite van Heusden’. Omstreeks
1830 was het pand één van de zes huizen die smid Peter van Helvoort in de ‘Nieuwstad’
bezat. In 1950 kwam het pand in het bezit van aannemer Marinus Boeren die het inmiddels
vervallen pand restaureerde.
Bouwstijl van het Rijksmonument 22064
De woning bestaat uit twee bouwlagen en een verdieping met
een zadeldak met schild, waarvan de nok loodrecht op de straat staat. Het dak
is gedekt met rode terracotta dakpannen, type Verbeterde Holle. Oorspronkelijk had
het pand een trapgevel, maar op het einde van de 19e eeuw is deze afgetopt.
De bovenzijde van de voorgevel wordt sindsdien afgesloten door een houten kroonlijst
met dakgoot. In de kroonlijst is het Romeinse opschrift MDCXIX aangebracht,
oftewel het jaartal 1619. Het geveldeel van de begane grond is niet
oorspronkelijk. De verdieping telt drie vensterassen. De overkraging, die oorspronkelijk
diende ter ondersteuning van de trapgevel, is gecombineerd met de rondbogen waarvan
de profilering doorloopt in de vensterneggen. De boogvelden zijn versierd met
driepassen en leliepunten. De gekromde lisenen rusten via colonnetten op gebeeldhouwde
kopjes (kraagstenen). Tussen de lisenen zijn sierlijke krulankers aangebracht.
Onder
de vensters bevindt zich een waterlijst met streks gemetselde drieklezoren-profielstenen,
voorzien van een middenornament en eindstukken. De gevel is op de verdieping
over de volle breedte geleed door natuurstenen speklagen. Op de begane grond bevinden
zich twee 35-ruits schuifraamvensters en op de verdieping drie 16-ruits
kruisvensters. De voordeur heeft een bovenlicht met een geometrisch snijraam. De
voorgevel helt circa 25 cm voorover, dat ‘op de vlucht’ wordt genoemd.
Voor het pand ligt een voorstoep van Naamse hardstenen tegels,
met twee achtkantige stoeppalen, die door middel van stangen met de voorgevel zijn
verbonden.
Bart Beaard