In 1890 liet Michiel
Eekels op een braakliggend terrein dit pand bouwen. In 1898 werd het verkocht aan
de Coöperatieve Vereniging ‘NATURA’, die op 6 maart 1896 was opgericht. Volgens
de kadastrale omschrijving bestond het uit een ‘huisch, hopeest, boterfabriek
met tuin’. Tot de oprichters behoorden ongeveer vijftien boeren, brievengaarder
Theodorus van Veluw en Harrie Prinsen, hoofd van de jongensschool. De
vereniging verbouwde het pand tot roomboterfabriek.
Opmerkelijk is dat in
Haarsteeg in dezelfde periode al een roomboterfabriek actief was. Op 14 juli
1896 werd de fabriek ‘VOLHARDING’ opgericht door koffiehuishouder Florentius
van Wagenberg en landbouwer Cornelis Honcoop. Dit bedrijf hield zich sinds
januari 1895 ook al bezig met het vetmesten van varkens voor de
exportslachterij. Het voer bestond grotendeels uit ontroomde melk, een
restproduct van de boterbereiding.
Coöperatieve roomboterfabriek NATURA
Het
gebouw en het terrein van NATURA waren voor een periode van zes jaar eigendom
van de vereniging. In de oprichtingsakte werd het doel als volgt omschreven:
‘het drijven eener roomboterfabriek met daarbij behoorende melkzaak, al dan
niet in verband met het onderling aankoopen van veevoeder’. De inrichting van
de fabriek was voor de helft eigendom van de vereniging en voor de andere helft
van Jan Prinsen (1856–1918), die ook in de fabriek werkzaam was. Jan was een
broer van Harrie Prinsen en Jan dreef daarnaast een graanhandel.
Op
29 november 1901 werden de statuten met zes jaar verlengd. Toch hield NATURA
geen stand. In 1908 werd de vereniging opgeheven en op 17 januari van dat jaar
veilde notaris Tacx uit Vlijmen de inboedel.
Al
op 13 maart 1909 volgde een poging om de boterfabriek nieuw leven in te blazen.
Een groep van 21 boeren, die samen 120 koeien bezaten, wilde het bedrijf
voortzetten. N. van de Water werd als directeur aangesteld. Deze nieuwe start
was kennelijk geen lang leven beschoren. Wat er vervolgens met de inventaris
gebeurde, is onbekend. Wel is bekend dat Nieuwkuijks kleermaker Nol Houët (1867-1949)
het pand in 1909 kocht. Nol had in Haarsteeg eerder een kleermakerij overgenomen
van zijn ongehuwde neef Adrianus Houët (1859–1911), mogelijk vanwege de slechte gezondheid van
Adrianus.
Foto Links: Van links naar rechts: postbode Narus
Vermeulen, postbode Sjef van de Wiel, Nol Houët en dochter Nelly Van der
Heijden-Houët. De foto is gemaakt op 1 oktober 1935, de trouwdag van Nelly en
Gerrit van der Heijden. Collectie Bart Beaard.
Foto Midden: De
fraaie voorgevel van het pand met een bijzondere historie. Foto Ad Hartjes
Foto Rechts: In de
kleermakerij zit Petronella Houët-Van de Leur, de echtgenote van Nol Houët.
Achter haar staan, van links naar rechts, een knecht, Nol Houët, een onbekende
persoon en dochter Nelly. Collectie Nico de Bont
Van kleermakerij naar postkantoor
Houët
verbouwde het pand tot woonhuis en kleermakerij. In de gang werd bovendien een
hulpkantoor van de PTT ingericht, waar telegrammen konden worden verzonden en
ontvangen en telefoongesprekken konden worden gevoerd. Met ingang van 1 maart
1932 werd zijn dochter Nelly aangesteld als stationhoudster van het PTT-poststation
in Haarsteeg. Het kantoor werd gevestigd in haar ouderlijk huis. De postdienst
werd daarmee aan de bestaande telefoon- en telegraafdiensten toegevoegd.
Per
1 juni 1944 werd Gerrit van der Heijden (1905–1997), die in 1935 met Nelly
Houët was getrouwd, kantoorhouder. De status van het kantoor werd omschreven
als ‘post-, telegraaf- en telefoonkantoor met celgesprekken’. Gerrit bleef deze
functie uitoefenen tot 1970. In 1971 werd het pand gekocht door Jo van Ooijen.
Het postagentschap verhuisde naar woninginrichting Mari Vugts. Daarmee kwam een
einde aan de periode waarin het pand aan de Haarsteegsestraat niet alleen als
woning en werkplaats, maar ook als lokaal communicatiecentrum dienstdeed.
Bouwstijl
Het
eenlaagse pand heeft een zadeldak waarvan de nok loodrecht op de straat staat.
Het dak is gedekt met blauwgesmoorde dakpannen van het type VH (Verbeterde
Holle). Aan de voorzijde heeft het dak een houten overstek, dat wordt
ondersteund door doorstekende gordingen met geprofileerde kopse uiteinden. Het
pannendak wordt aan de dakranden afgewerkt met gevelpannen.
De
gevel is opgetrokken in baksteen, gemetseld in kruisverband en afgewerkt met
lintvoegen. In de topgevel bevinden zich twee kleine openslaande T-vensters met
glas-in-lood in de bovenlichten. De vensters hebben hardstenen raamdorpels. Op
de begane grond zijn drie grotere T-vensters aangebracht. Deze hebben
openslaande bovenlichten met glas-in-lood. De vensters rusten op
zwartgeglazuurde waterslagen en worden aan de bovenzijde afgesloten door
anderhalf steens hoge, getoogde rollagen, die tevens als siermetselwerk dienen.
Aan weerszijden van de vensters zijn paneelluiken aangebracht als decoratieve
gevelelementen. De onderzijde van de gevel heeft een circa 50 centimeter hoge,
gecementeerde plint. De tuin wordt aan de straatzijde begrensd door een fraai
bakstenen muurtje met gemetselde kolommen en verbindingsstangen.
Bart Beaard