Tot
in het begin van de 19e eeuw had Vlijmen ten noorden en ten westen
van de Protestante kerk aan De Grote Kerk een grote begraafplaats. In een
Koninklijk Besluit in 1829 werd bepaald dat er begraafplaatsen moesten worden aangelegd
èn op afstand van de kerk èn buiten de kom.
Daardoor kwam er een nieuwe begraafplaats
aan de oostzijde van het Oude Kerkepad te liggen, het zuidelijke deel van de
huidige Pastoor van Akenstraat. Aan de noordkant lag de katholieke
begraafplaats en aan de zuidkant de protestantse. Beide begraafplaatsen hadden
een eigen ingang, bestaande uit twee grote kolommen waaraan een smeedijzeren
poort hing. In 1880 werd achter de nieuwe katholieke kerk de huidige
begraafplaats aangelegd en ingezegend. De protestantse begraafplaats werd pas
in 1921 verplaatst naar de Mommersteeg.
Foto Links: Vooraanzicht van het doodshuisje-Mariakapel op de RK-begraafplaats
in Vlijmen. Foto Ad Pellemans.
Foto Midden: Ook zijn de zijgevels van het doodshuisje fraai
gedetailleerd. Foto Ad Pellemans.
Foto Rechts: Sinds 2016 is het doodshuisje een Mariakapel en een
plaats voor het opsteken van een kaarsje. Foto Ad Pellemans.
Begraafplaatsinrichting
Dodenhuisjes op
begraafplaatsen, ook wel baarhuisjes genaamd, waren vanaf 1872 verplicht als
gevolg van de ‘Wet houdende voorziening
tegen besmettelijke ziekten’, als cholera, tyfus, pokken, roodvonk of difterie.
In het huisje konden
overledenen worden opgebaard wanneer dat thuis niet mogelijk was, maar ook
schijndoden of overleden slachtoffers van besmettelijke ziekten. Zo had de
gemeente bij
de begraafplaatsen aan het Oude Kerkpad een dodenhuisje gebouwd.
Ook achter de nieuwe katholieke kerk werd
er een dodenhuisje gebouwd. De plaats van het huisje kwam goed uit, omdat
de Zusters van J.M.J. (Jezus-Maria-Jozef) dichtbij een klein ziekenhuis hadden
voor de verpleging van mensen met besmettelijke ziekten. Dat ziekenhuis was in
1885 door de gemeente gebouwd.
In de loop van de 20e
eeuw nam het aantal sterfgevallen als gevolg van besmettelijke ziekten af. Door
maatregelen rondom het drinkwater en aanleg van riolering verminderde de
noodzaak van een dodenhuisje. Het dodenhuisje werd een plaats die de grafdelver
gebruikte voor opslag van de baar en van zijn gereedschap. In de loop der jaren
is het huisje in verval geraakt, maar een groep vrijwilligers van de parochie
hebben het opgeknapt en een kapelbestemming gegeven. Op 19 juni 2016 werd de
kapel ingezegend.
Bouwstijl
Het gebouw heeft een
zadeldak, gedekt met rode terracotta dakpannen, type OVH. De gevel is gemetseld
in baksteen, in kruisverband en platvol gevoegd. De kapelingang heeft een
spitsboog met erboven een eensteens hoge rollaag waarin ornamenten van
Bentheimer zandsteen.
Het boogveld is met
bakstenen terugliggend dichtgemetseld en heeft een Grieks kruis van zandsteen.
De ingang kan worden afgesloten met een smeedijzeren poort. Beide zijgevels bestaan
uit drie vakken, gemetseld in halfsteens verband met een halve steen
terugliggend. Aan de bovenzijde hebben de vakken een laag met uit de muur
tredende koppen. In het middelste vak bevindt zich een klein spitsboogvenster
met glas, met aan de boven- en onderzijde een zandstenen profielsteen. Het
huisje heeft rondom 30 cm hoge en met cement gepleisterde plint.
Bart Beaard