Bijna een kwart van de volwassenen heeft een bezoek aan
de tandarts weleens gemeden of uitgesteld in verband met de kosten. Het gaat om
22,9 procent van de 18-plussers, meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek
(CBS) in een onderzoek naar kansenongelijkheid dat in 2024 is uitgevoerd.
Mensen met het minste inkomen en vermogen zeggen het vaakst dat ze de tandarts
uit de weg zijn gegaan in de twaalf maanden voorafgaand aan het onderzoek: in
die laagste welvaartsgroep ging het om een derde van de volwassenen.
Ook een bezoek aan de huisarts, dat wordt vergoed vanuit het
basispakket van de zorgverzekering, wordt relatief vaker gemeden door mensen
uit lagere inkomensgroepen. Zij geven ook vaker dan mensen uit de hoogste
welvaartsgroep aan dat ze het gevoel hebben minder kans te maken op goede zorg.
Ongeveer 15 procent van de mensen met het laagste inkomen en minste vermogen
zegt dat gevoel te hebben, tegenover 3 procent van de mensen met de hoogste
welvaart.
De meeste Nederlanders voelen zich wel serieus genomen door
de huisarts, hoewel dat meer voor ouderen geldt dan voor jongeren. Van de
65-plussers voelt 92 procent zich serieus genomen, tegen ongeveer 75 procent
van de 18-35-jarigen.
Onderwijs
De conclusies over de zorg zijn onderdeel van een breder
CBS-onderzoek, het zogeheten Belevingenonderzoek, dat dit jaar in het teken
staat van kansenongelijkheid. Het CBS heeft daarvoor ook onder meer de
arbeidsmarkt, het onderwijs en de woningmarkt onder de loep genomen.
Wat betreft onderwijs is een van de conclusies dat een op de
vijf volwassenen het gevoel heeft minder kansen te hebben gehad op school door
de financiële situatie van hun ouders. Ook denken inwoners van enkele
grensregio's relatief vaak dat hun woonregio een negatieve invloed heeft of had
op hun onderwijskansen. In Zeeuws-Vlaanderen had bijna een kwart van de
respondenten dat gevoel.
Het CBS heeft de huishoudens in Nederland ingedeeld in vier
gelijke groepen, op grond van het besteedbaar inkomen en het vermogen.
Huishoudens in de hoogste groep hebben zowel een hoog inkomen als veel
vermogen. Huishoudens in de laagste groep hebben een laag inkomen en weinig
vermogen.