De Catharijnekerk is
gewijd aan Sint-Catharina van Alexandrië, de beschermheilige van de stad
Heusden. De oudste vermelding is 1210, toen in een gebied met hoge zandgronden
en met een peil van +2,8 m NAP op een terp de eerste kerk stond. In 1555
bestond de kerk uit een middenschip met koor, een toren en zijbeuken aan zowel
de noord- als de zuidzijde.
In 1555 werd de kerk uitgebreid met een kruisarm, historisch
het jongste gedeelte van de kerk: aan de noordzijde werden een transept en een
beuk met vier traveeën toegevoegd. Dit deel is opgetrokken in een bouwstijl dat
later werd aangeduid als Kempense gotiek. In de nacht van 4 op 5 november 1944 werden
door de Duitse troepen onder andere de twee westelijke traveeën opgeblazen,
waardoor deze werden verwoest. Toen het college van B&W van Heusden in 1954
een herstelplan vaststelde, werd besloten deze twee traveeën niet te herbouwen.
Daardoor bestaat de noordgevel nu uit het noordtransept en twee traveeën, welke
tijdens de uitvoering van het herstelplan ook zijn gerestaureerd. Dit artikel
beschrijft de vormentaal van dit bouwdeel.
Kempense gotiek
In de middeleeuwen werd voor de kerkenbouw de bouwstijl ‘Gotiek’
toegepast. De Sint-Jan in ’s-Hertogenbosch is daarvan een mooi voorbeeld. De belangrijkste
kenmerken van deze bouwstijl zijn:
- Verticaliteit en
hoogte: gebouwen lijken sterk omhoog te ‘stijgen’ en wekken zo een bijna
hemelse indruk.
- Spitsbogen:
puntig toelopende bogen, toegepast in ramen, deuren en gewelven.
- Ribgewelven:
gewelven die worden gedragen door kruisende ribben.
- Luchtbogen en
steunberen: om hoge muren te ondersteunen en zijwaartse druk op te vangen.
- Grote vensters:
vaak voorzien van glas-in-lood met religieuze voorstellingen, wat zorgt voor
licht in het interieur.
- Rijke decoratie
met elementen zoals beelden, pinakels, kruisbloemen, hogels en traceringen.
De Catharijnekerk is gebouwd in de Kempense gotiek, een regionale
variant. Deze stijl onderscheidt zich door een meer robuuste uitstraling, met minder
uitgesproken hoogte, geen luchtbogen, een soberder uiterlijk, weinig of geen beeldhouwwerk
en het gebruik van baksteen.
Foto LInks:De noordgevel van de
kerk met links de tuitgevel van het transept, in het midden de twee tuitgevels van
de traveeën en rechts de naoorlogse aanbouw. Op het zadeldak bevindt zich de
naoorlogse vieringtoren. Foto Bart Beaard.
Foto Midden: In de tuitgevel van
het transept bevindt zich een beeltenis met het thema ‘Kruisiging van
Christus’, dat tijdens de Beeldenstorm beschadigd is. Droneopname Jan
Quirijnen.
Foto Rechts: In de tuitgevel van de
linkertravee bevindt zich een jaartalsteen met in oudschrift de inscriptie: ‘Anno vijftiē hō-dert eñ vijftich’, oftewel ’Anno vijftienhondert ende vijftich’ = 1550.
Droneopname Jan Quirijnen.
Bouwdelen
Het noordertransept en de twee traveeën van de noorderzijbeuk
hebben leiengedekte zadeldaken over houten tongewelven, waarvan de nokken loodrecht
op de hartlijn van het kerkschip liggen. De zadeldaken sluiten aan op het hoofdzadeldak
van het kerkschip. Het noordertransept heeft een tuitgevel en twee smalle zijgevels.
De twee traveeën hebben elk een tuitgevel. De rechtse travee heeft een niet
oorspronkelijke rechter zijgevel, maar een gevel uit de wederopbouwperiode. Van
de gevels van het noordertransept en de traveeën zijn de muurvlakken,
steunberen en pinakels opgetrokken met warmrode bakstenen en in kruisverband
gemetseld. De bakstenen zijn gebakken van rivierklei uit de directe omgeving.
Het metselwerk is horizontaal geleed met banden van Bentheimer zandsteen, wat
het geheel een duidelijke ritmiek geeft. De gevel wordt geleed door steunberen
op de hoeken en tussen de traveeën. Tussen de steunberen bevinden zich
muurvlakken met voldoende draagkracht voor hoge spitsboogvensters.
Steunberen en pinakels
In constructief
opzicht vangen de steunberen, in combinatie met de muren, de zijwaartse druk
(spatkrachten) van de gewelven op. Aan de onderzijde hebben de steunberen een
rechthoekige sokkel van circa 2,5 meter hoog. In de zijden van deze sokkels
bevinden zich casementen of blinde beeldnissen, bekroond met maaswerk. Enkele
nissen van de hoeksteunberen beschikken nog over consoles voor het plaatsen van
beelden. De sokkels zijn afgedekt met hardstenen platen, die tevens doorlopen
naar de onderdorpels van de vensters. Op deze platen rusten de steunberen, die
aan de muurzijde een rechthoekige doorsnede hebben. De steunberen zijn voorzien
van aangebouwde pinakels; de hoeksteunberen hebben bovendien nog twee kleinere
pinakels. Pinakels
zijn slanke, spits toelopende torentjes die dienen als decoratieve
bekroning. Ze accentueren de verticaliteit van de gebouwen en steunberen.
Functioneel verhogen ze de stabiliteit van steunberen door het extra gewicht,
waardoor deze meer druk van de gewelven kunnen opvangen. De pinakels zijn gedecoreerd met
kruisbloemornamenten en bekroond met een plumeel. De pinakels lopen aan de
bovenzijde van de steunbeer uit in een zandstenen ornament met zadeldak.
Spitsboogvensters
Alle vensters zijn spitsboogvensters. In de boogvelden van
de vensters is een tracering of maaswerk aangebracht. Voor de plaatsing van het
glas in de vensters zijn er twee of drie montants of verticale stijlen. De
traceringen en de montants zijn opgebouwd uit bak- en zandsteen ornamenten. De
neggen van de vensters zijn rondom geprofileerd.
Tuitgevels
In de topgevel van het transept zijn de restanten van vernield
beeldhouwwerk (beeldenstorm), die na de overgang naar het protestantisme niet
zijn vervangen. Naar alle waarschijnlijkheid bevindt zich in het grote midden
casement het restant van een beeltenis, welke de kruisiging van Christus
voorstelt. In elk van de drie geveltoppen bevinden zich drie ronde casementen
omringd met halfsteens rollaag en zandsteen sluitstenen. In de casementen zijn ruiten
ornamenten van zandsteen, mogelijk overblijfsels van beeldhouwwerk (hoofden van
heiligen?). In de geveltop van de linker travee bevindt zich in een
casement met korfboog een rechthoekige cartouche een jaartalsteen 1550 met de inscriptie
‘Anno
vijftienhondert ende vijftich’. In de geveltoppen zijn de stalen
muurankers zichtbaar.
Noordportaal
In de linkertravee bevindt zich het spitsvormig noordportaal,
wat bij een gotische kerk het uitvaartportaal is. Boven de hardhouten deur ligt
een hardstenen bovendorpel, waarboven zich een halfsteens korfboog bevindt met
in het boogveld drie casementen met rondbogen.
Grafstenen
Aan de gevel van het noordtransept bevinden zich de epitafen
of grafstenen van:
Links; Johannes Augustus Gerlach (*1790 †1881), oud-notaris,
lid Provinciale Staten en zijn echtgenote Jacoba Jud. Pet. de Bruijn (*1789 †1854)
Rechts; Johannes Augustus Gerlach (*1744 †1837),
burgemeester, drossaard en dijkgraaf
Hun graflegging vond plaats op de NH-begraafplaats, nu
Herptseweg, Oudheusden.
Bart Beaard