Op een perceel aan de toenmalige Hoevenschestraat bouwde
Willem van Bijnen (1884-1965) in 1932 een boerderij met schuren. Hij was in
1911 getrouwd met Mechelina van der Sterren (1886-1936). Het echtpaar had zes
kinderen. In de nacht van 16 op 17 juni 1944 voltrok zich in de buurt een ramp,
die we later kennen als De Hoevenramp.
Een bommenwerper stortte neer op een
recht tegenover gelegen boerderij en veroorzaakte een grote verwoesting in de
buurtschap. Er waren acht dodelijke slachtoffers. De boerderij van Willem van
Bijnen werd door de enorme luchtdruk en door brand geheel verwoest. Hierbij is
al zijn vee (ca. 20 stuks) omgekomen. Na de oorlog kwam er vanuit de overheid
een programma voor de wederopbouw van verwoeste boerderijen. Met de uitvoering
hiervan was het Bureau Wederopbouw Boerderijen belast. Van de voor herbouw
geselecteerde boerderijen werd een taxatierapport gemaakt, waarna de
oorlogsschade kon worden vastgesteld. Vervolgens werd een architect gekozen
voor een bestek en ontwerp van een streekeigen boerderij oftewel een
kortgevelboerderij. Voor het ontwerp van een modern woon- en bedrijfsgedeelte
werd gebruik gemaakt van de kennis die was opgedaan bij de bouw van boerderijen
in de drooggelegde Wieringermeerpolder (1932-1942). Door de Vlijmense architect
Jan Luijben werd voor deze boerderij een ontwerp gemaakt in de bouwstijl van de
Delftse school. De aanbesteding was op 21 maart 1947 voor de aanneemsom van
ƒ22.720.
Foto Links: De wederopbouwboerderij staat verscholen achter drie
monumentale leilinden. Foto Ad Pellemans
Foto Rechts: De dakkapel was voorheen de toegang naar de hooizolder,
de grote deur was de toegang naar het stalgedeelte. Foto Ad Pellemans.
De boerderij is
eenlaags met een zadeldak met twee verdiepingen. De nok van het zadeldak ligt
loodrecht op het hart van de straat. Alle wederopbouwboerderijen hadden
aanvankelijk daken, gedekt met rode terracotta dakpannen. Aan de westzijde is
een dakkapel met een tuitgevel. Aanvankelijk was de dakkapel bestemd voor het
doorvoeren van hooi naar de hooizolder. De gevels zijn gemetseld met roodbruine
bakstenen, in wild verband en vol en zat gemetseld/gevoegd. D.w.z. dat de
lintvoegen en de stootvoegen over de gehele oppervlakte van de steen gevuld
zijn met mortel zodat het latere voegen niet meer nodig is.
De voorgevel is een tuitgevel waarvan de tuit wordt gevormd
door een driedelig pilaster, bedekt met bakstenen, gemetseld in de vorm van een
ezelsrug. Op de pilaster is een smeedijzeren sieranker. De gevel heeft
muurvlechtingen d.w.z. wigvormige muurdelen waarvan de
steenlagen loodrecht staan op de helling van de gevellijn. Aan de voet van de
schuine gevel zijn uitgemetselde muurvlakken bedekt met zandstenen plaat. Aan
de onderzijde is een zandstenen ornament.
De raamkozijnen hebben
een drieruits vast bovenlicht en een zesruits valraam. Boven de deur- en
raamkozijnen zijn segmentbogen van uitstekende platte stenen. De boogvelden
zijn strekse bogen van baksteen. De vensters hebben hardstenen raamdorpels. De
voordeur is een paneeldeur met glasraam, bedekt met traliewerk. In de
omlijsting van de deur zijn zandsteen ornamenten verwerkt. Links boven de
voordeur is een plateel ingemetseld met de afbeelding van een rijzende leeuw,
het symbool van de wederopbouw, en het bouwjaar 1947. In de westelijk zijgevel
is nu een dubbele tuindeur, aanvankelijk waren hierin de staldeuren.
Oorspronkelijk had de boerderij geen dakgoten, waarom de bovenste vijf
steenlagen als druiprand zijn utgevoerd met in het midden een laag muizentandkoppen.
In de voortuin staan drie leilinden. In het verleden werden die bij rietgedekte
boerderijen geplaatst voor het opvangen van vliegvuur bij brand.
Bart Beaard