Verscholen achter de hoge bebouwing van het vroegere
klooster, omringd door hoge bomen en gelegen binnen de omranding van een gracht,
staat hier nog steeds deze eeuwenoude toren. Deze bestaat uit een kelder, drie
bouwlagen en een schilddak.
De geschiedenis en bouwhistorie ervan staat
beschreven in een publicatie van Taco Hermans en Edwin Orsel. Dit artikel verscheen
in 2005 in het blad BULLETIN KNOB (Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige
Bond), 2005-4. Dit artikel is een aanvulling daarop.
Kelder en begane grond
De bouwhistorie van de
toren begint in 1382, wanneer Jan Kuyst Arent Dirckszn, schout te Vlijmen, met
het kasteel ‘met alle geregtigheden zo hoge als lage’ beleend werd. Over hem
werd in 1388 ook geschreven: ‘die wij hem te hulpe gegeve hebben om onse huys
en toorn tot Honsoerde mee op te bouwen’. Hiervoor kreeg Kuyst vier jaar een
uitkering. De bouwhistorici konden niet vaststellen hoe het kasteel er toen uitzag.
De woontoren of begane
grond werd in 1388 gebouwd op een fundering, met dezelfde rechthoekige
grondslag als de kelder: 13,5 x10,5 meter. De muren van de kelder kregen een
dikte van 2,5 meter en werden opgebouwd met baksteenformaat: 28x13x7 centimeter.
Het metselwerk werd met strekken- en koppenlagen opgebouwd in een
klezorenverband. Vanwege de militaire functie kregen de vier muren elk één
schietsleuf in het midden. De kelder kreeg een houten balkenzoldering. De
begane grond kreeg dezelfde buitenafmetingen als de kelder, maar met een
muurdikte van twee meter. Op de begane grond kwam ook een balkenzoldering van
moer- en kinderbinten. Als verdedigingswerk kreeg deze zoldering een overdekte weergang,
bestaande uit een borstwering met kantelen.
Foto Links: De kelder in 2003 na de restauratie met de toegangsdeur aan
de zuidzijde. Bron SALHA
Foto Midden: De toren vanaf het zuiden met de toegang naar de kelder.
Foto Ad Hartjes (2021)
Foto Rechts: De kelder met zijn segmentbogen na de restauratie in
2003. De witte vlakken tussen de segmentbogen zijn de troggewelven. In het
midden achter bevindt zich het kleine venster aan de noordzijde. Bron SALHA
In de tweede helft van
de 15e eeuw had de toen inmiddels vervallen toren als verdedigingswerk
afgedaan. Het bouwwerk was inmiddels in het bezit van Jan van Malsen, die de
toren verbouwde en verhoogde. Van de kelder werd de zoldering verwijderd en er werden
vier segmentbogen en vijf troggewelven gemetseld, waardoor de begane grond een
stenen vloer kreeg. Het baksteenformaat van de scheibogen was 25x11x5,5 centimeter.
Toen zijn ook de schietsleuven veranderd: de noord- en oostzijde kregen
vensters, de westzijde werd dichtgemaakt en in de zuidzijde werd de schietsleuf
vergroot naar een deurtoegang. Ter plaatse van de weergang kwamen muren van een
meter dikte voor de eerste verdieping. Daarop kwam een houten balkenzoldering
en een met leien gedekt schilddak. In 1904 werd de toren door de monniken
Cisterciënzers nogmaals met een verdieping opgehoogd.
Kelder nu
In 2003 werd de kelder gerestaureerd waarbij o.a.
de pleisterlaag werd afgebikt. De kelder werd voornamelijk als opslag gebruikt.
Na de restauratie kwam hij in gebruik als ‘herberg’ voor culturele activiteiten.
De rode plavuizenvloer van de kelder heeft een vloeroppervlakte van 9x5,6 meter.
Opvallend zijn de vier met baksteen gemetselde segmentbogen met een straal van drie
meter, een breedte van 51 centimeter met in het midden een doorloophoogte van iets
meer dan twee meter. Tussen de segmentbogen bevinden zich de troggewelven met
een breedte van 1,2 meter en een hoogte van 20 centimeter. De troggewelven zijn
met tapse bakstenen in een wild verband gemetseld. De kelder heeft een toegang
naar buiten via een hardhouten deur en een toegang naar de begane grond van de
toren. Beide toegangen hebben gemetselde trappen.
Bart Beaard