Historisch Heusden: Coöperatieve eerste Langstraatsche stoomzuivelfabriek

25 feb , 10:04 Historisch Heusden
172.4
Salha

Een nieuwe Aflevering van Historisch Heusden geschreven door Bart Beaard en deze keer gaat het in deel 241 van Historisch Heusden over 'Coöperatieve eerste Langstraatsche stoomzuivelfabriek'.  Rond 1900 probeerden de Norbertijner paters van de Abdij van Berne in Heeswijk de slechte economische omstandigheden in de landbouw en veeteelt te verbeteren. De ‘boerenapostel’ pater Gerlacus van den Elsen (1853–1925) stimuleerde vooral het denken en werken in coöperaties.

Mede door zijn inzet werd in 1896 de NCB - Noordbrabantse Christelijke Boerenbond opgericht en ontstonden plaatselijke afdelingen. Vooral op het gebied van melkverwerking namen boeren zelf het initiatief tot samenwerking, met als doel verbetering van verwerking, afzet en verkoopprijzen.

Boterij van Drunen en Elshout
Ook binnen de afdeling Drunen-Elshout van de NCB leefde het verlangen om een zuivelfabriek op te richten. Er werd een commissie samengesteld die onderzoek deed bij reeds bestaande melkfabrieken. Daarbij kwam de vraag naar voren of de fabriek door stoomkracht of handkracht moest worden aangedreven. Uit het onderzoek bleek verder dat voor een stoomfabriek melk van minimaal driehonderd koeien nodig was. Op 11 mei 1905 werd de ‘Coöperatieve Vereniging De Boterij van Drunen en Elshout’ opgericht. Het was een tegenvaller dat de vereniging begon met slechts 42 leden, die samen 160 koeien bezaten. Zelfs voor een handkrachtfabriek kon maar nauwelijks voldoende melk worden aangevoerd. De handkrachtfabriek werd op 17 oktober 1905 aan de Stationsstraat gebouwd, ter hoogte van huidig nummer 20, en in gebruik genomen, waarna de eerste melk werd aangevoerd. Sjef van Kessel (1874–1951) werd de eerste directeur. In de fabriek werd melk verwarmd op een fornuis. In karntrommels werd het vet van de melk gescheiden en vervolgens gekneed tot roomboter. In 1906 werd circa 0,5 miljoen kilogram melk aangevoerd. Al snel groeide de belangstelling voor deze nieuwe werkwijze, vooral dankzij de tevredenheid van de aangesloten boeren en de gunstige boterprijs. Tijdens de ledenvergadering van 10 februari 1906 werd alsnog besloten een stoomfabriek te bouwen zodra een nieuwe groep boeren zich zou aansluiten en gezamenlijk melk van 150 koeien kon leveren. De animo was groot, ook onder boeren uit Baardwijk, Elshout en Nieuwkuijk.

Foto Links:Goei botter! Verpakte roomboter uit de Drunense zuivelfabriek. Collectie Sjef van Hulten
Foto Midden: De aan- en afvoer van melkbussen gebeurde bij de zuivelfabriek met platte wagens, getrokken door tractoren. Collectie SALHA
Foto Rechts: Interieur van de modern ingerichte zuivelfabriek. Bron SALHA

Stoomzuivelfabriek
Voor de nieuwe stoomzuivelfabriek kreeg Machinefabriek Henri Grasso de opdracht een ontwerp te maken en dit uit te voeren. In het ontwerp stonden een stoomketel en stoommachine centraal. De stoom werd gebruikt voor de aandrijving van machines (boterkarn, melkcentrifuge en pompen), het verwarmen van de melk (pasteurisatie), het reinigen en ontsmetten van melkbussen en opslagtanks en voor de verwarming van het gebouw. Het plan omvatte ook een grotere melkontvangst met laadbordes, opslagtanks en een laboratorium. In het nieuwe bedrijf werd Thijs van Halder (1871–1960) bestuursvoorzitter. Op 27 november 1906 werd de fabriek in gebruik genomen. Boter met Rijkskeurmerk werd geleverd aan melkslijters en aan de botermijn in 's-Hertogenbosch. Karnemelk ging naar de detailhandel en ondermelk of biest terug naar de boeren als veevoer of naar margarinefabrieken. In 1910 werd ongeveer 2 miljoen kilogram melk verwerkt.

Eerste Wereldoorlog
Dit was een moeilijke periode. Mede door de uitvoer naar Duitsland stegen de prijzen tot ongekende hoogte. De regering voerde maximumprijzen in en stelde beperkingen aan de uitvoer van boter. Een deel van de productie moest op de binnenlandse markt worden verkocht. Toen er ondanks deze maatregelen een tekort aan boter ontstond, ging de overheid over tot distributie. De fabriek kreeg opdracht wekelijks aan omliggende gemeenten te leveren.

Coöperatieve Eerste Langstraatsche Stoomzuivelfabriek
In 1917 werden de statuten aangepast aan de wet op coöperatieve verenigingen. De oude vereniging werd ontbonden en voortgezet onder de nieuwe naam Coöperatieve Eerste Langstraatsche Stoomzuivelfabriek. Alle leden gingen over naar de nieuwe vereniging.

In 1920 werd de fabriek aangepast om een hogere melkaanvoer te kunnen verwerken. Het gebouw werd op meerdere plaatsen uitgebreid, waaronder een grotere melkontvangst met daarboven een verdieping als melkbewaarplaats. Toen kon ook de nieuwe naam op de voorgevel worden geplaatst. In 1938–1939 werd opnieuw een deel van het gebouwencomplex vernieuwd volgens een plan van Architectenbureau Martens en Kramer. Er kwam een extra stoomketel met een verwarmd oppervlak van 45 m² en een nieuwe stoommachine van 50 pk. Schoorsteenbouwer De Ridder bouwde een 30 meter hoge fabrieksschoorsteen, waarvan de onderste helft nog bestaat. Ook het machinepark werd uitgebreid met onder meer een karnkneder, een pasteur, papketels en een melkflesseninstallatie. De kwaliteit van de producten was hoog. De fabriek behaalde diverse nationale en internationale erkenningen, diploma’s en medailles.

Tweede Wereldoorlog
In deze periode kampte het bedrijf met uiteenlopende problemen. Er ontstond een tekort aan hulpstoffen zoals brandstof en verpakkingsmateriaal en er werden talrijke beperkingen opgelegd. Consumptiemelk werd gestandaardiseerd op 2,5% vet. Men kreeg te maken met de administratieve last van boter- en melkvervoerbewijzen, botertoewijzingen en boterbons. Daarnaast kwamen er voorschriften voor boekhouding, vetgehalte, onderzoek en uitbetaling.

Om gezondheidsredenen stopte Sjef van Kessel op 21 november 1942. Mari van Hulten (1904–1993) werd benoemd tot directeur. In 1943 werd het bedrijf geconfronteerd met de landelijke april-meistaking, ook wel de melkstaking genoemd. Tijdens de bevrijding in oktober/november 1944 kreeg het gebouw vijf directe granaatinslagen te verduren. Direct na de oorlog werd deze oorlogsschade hersteld.

Na de oorlog
In plaats van uitsluitend roomboter te produceren, richtte men zich ook op consumptieproducten zoals volle, halfvolle en magere melk, gortepap, havermoutpap, vla en yoghurt, geleverd aan melkslijters. In de fabriek werkten twaalf medewerkers. In de naoorlogse jaren werd jaarlijks ongeveer 7 miljoen kilogram melk verwerkt, afkomstig van circa 450 leden. Melkrijders, die via inschrijving een contract met de fabriek hadden, vervoerden dagelijks de melkbussen naar en van de fabriek. Op 12 oktober 1964 werd besloten te fuseren met Melkinrichting St. Jan in ’s-Hertogenbosch. In 1965 werd de fabriek in Drunen gesloten. Nog enkele jaren brachten melkrijders de melk naar ’s-Hertogenbosch, maar dit nam geleidelijk af doordat veebedrijven overstapten op melkmachines. Melk werd voortaan opgeslagen in gekoelde tanks en om de twee à drie dagen opgehaald met tankwagens. Het gebouw aan de Stationsstraat had tot eind 2025 een bestemming als DAB-autogarage. In 2026 wordt het pand afgebroken en krijgt het perceel, samen met dat van de naastgelegen Boerenbond, een woonbestemming.

Bart Beaard