Monumenten in Heusden: Het kerkgebouw Sint Johannes Evangelist te Elshout

29 nov , 10:34 Monumenten Heusden
262.1b Toon
Toon Groot

De kruiskerk, een gemeentelijk monument, werd in een neogotische stijl ontworpen door de Tilburgse architect Henri van Tulder (1819-1903). Op 26 november 1877 werd de bouw van de kerk door hem openbaar aanbesteed.  Voor ƒ55.000 werd het werk door aannemer Lambert de Rooy uit ’s-Gravenhage aangenomen.

Op 15 april 1878 legde pastoor Q. van den Bogaart de eerste steen. Binnen een jaar werd de kerk gebouwd en op 4 april 1879 droeg Adrianus Ceelen, prelaat van de Abdij van Berne, voor de eerste maal de pontificale Heilige Mis op. Op 16 april 1883 werd de kerk door bisschop Mgr. Godschalk ingewijd. Tijdens de bevrijding in oktober/november 1944 ontstond er door granaatbeschietingen nauwelijks schade. Op 2 april 1973 kwam door een hevige storm de 18 meter hoge spits omlaag, maar in september 1974 was alles weer hersteld. 

Bouwstijl
Van Tulder was een inventieve en kundige ontwerper van vele bouwwerken in de neogotische bouwstijl. Enkele kenmerken van deze stijl zijn de slanke en hoge kerktorens, de bakstenen kruisgewelfribben met bakstenen gewelven, de spitsboogvensters al dan niet met brandschilderramen, de spitsbogen boven de toegangsdeuren en in nissen, versieringen met pinakels, ornamenten en kruisbloemen. Door de vele spitsboogvensters was er veel daglicht in de kerk.  

Plattegrond
De kerk heeft een lengte van 46 meter en een breedte van 19 meter en bestaat uit een middenschip met twee zijbeuken, aan beide zijden een transept en een halfrond koor. Aan de voorzijde is in het zadeldak de 48 meter hoge toren geplaatst. In de buitenhoeken van de transepten en het koor bevinden zich de sacristie en bergruimte.

Foto Links: Aanzicht op de neogotische kerk met het koor (rechts) en transept (midden) en het schip en de toren (links). De vele spitsboogvensters zijn duidelijk zichtbaar. Foto Toon Groot.
Foto Midden:  Vooraanzicht van de kerk met de frontgevel en de 55 meter hoge toren en de 18 meter hoge spits. Foto Toon Groot.
Foto Rechts: De kruisribgewelven rusten via colonetten op de pijlers en de gordelbogen in de buitenmuren.Foto Toon Groot.

Het gebouw
Het gebouw bestaat uit een buitengevel en tien vrijstaande pijlers (80x80 cm) in het gebouw, die samen alle kruisribgewelven dragen. Deze gewelven bestaan ieder uit vier ribben die eindigen in de top met een kruissteen. Door deze ribben worden de gewelfkrachten samengebracht naar hoekpunten en dan via colonnetten en kapitelen naar de pijlers, gordelbogen en buitenmuren afgeleid. Tussen de ribben zijn de gewelfvlakken met gekleurde stenen in mozaïek gemetseld. De buitengevel wordt gevormd door een groot aantal naar boven verjongende bakstenen steunberen met daartussen bakstenen muurvlakken. Door deze constructie is een skeletbouw ontstaan, waarbij grote delen van de muurvlakken open kunnen blijven voor grote spitsboogvensters. 

Daken
Alle daken zijn met natuursteen leien in maasdekking gedekt. De leien zijn genageld op het dakbeschot dat is aangebracht op eikenhouten constructies van spanten en sporen. De daken rusten op de buitengevels van het gebouw. Op het zuidelijkste dakschild bevindt zich een dakkapel. De nokhoogte van de zadeldaken op het schip, koor en transepten is 19 meter. Ter plaatse van de viering, het snijpunt van de nokken van het schip/koor en de transepten is als dakruiter een smeedstalen dakbekroning geplaatst. Op het zuidelijk nokeinde van het zadeldak staat in siersmeedwerk een Latijns kruis.

Buitengevel
De buitengevel is in kruisverband gemetseld met handvorm roodbruine bakstenen, formaat   210x100x45 mm en afgewerkt met een knipvoeg. De spitsboogvensters hebben als kenmerk dat in het bovengedeelte twee symmetrische cirkelbogen elkaar snijden. De buitengevel heeft de spitsboogvensters in meerdere hoogten en breedten. Het merendeel van de vensters zijn trifora, d.w.z. met twee deelzuilen, de vensters van sacristie/berging zijn biofora d.w.z. met een deelzuil. Polifora zijn de vensters van de transepten en voorgevel met respectievelijk drie en vier deelzuilen. Boven de deelzuilen bevinden zich vierblad traceringen, ook wel maaswerk genaamd. De vensteromranding, de deelzuilen en het maaswerk zijn uit natuursteen gemaakt. De vensters zijn allen gestopt met blank glas of gekleurd glas-in-lood. Onder de dakranden en tussen de vensters zijn met gele stenen kruisen gemaakt. De puntgevel van het transept heeft aan de onderzijde schouderstukken. In het vlak van de puntgevel is een nis met drie spitsbogen en twee pijlers. Op de top staat een Latijns kruis uit natuursteen.

Toren
De toren gaat in de frontgevel van de kerk over in een een bakstenen puntgevel. De toren kent vijf lagen, waarvan de drie onderste in de frontgevel herkenbaar zijn. De frontgevel heeft op de hoeken overhoeks staande en naar boven verjongende steunberen.

1. Op de begane grond is de kerkingang een puntgevel met een spitsboogvormige nis. Deze nis heeft aan de voorzijde en in de dagkanten geprofileerde roodbruine en gele stenen. Naast de nis staan twee pinakels uit natuursteen. Een pinakel is een slanke toren ter versiering en bestaat uit een voet, een schacht met daarop een spits. De schacht is vaak vier- of achthoekig en versierd met casementen. De top wordt bekroond met een kruisbloem. De bovenrand van de puntgevel is van baksteen. Op de punt staat een kruis. In het gevelvlak is een driepas, met daarin een smeedijzeren lantaarn. In de nis bevinden zich de hardhouten ingangsdeuren met smeedijzeren sierscharnieren, waarboven een tracering, gestopt met gekleurd glas.  

2. De eerste verdieping (in de toren de orgel- en koorverdieping) heeft in het midden een groot spitsboogvenster en aan beide zijden spitsboogvormige nissen met traceringen. 

3. De tweede verdieping (in de toren de verdieping met het windwerk voor tijdklokken en de , toegang naar de bovenzijde van de gewelven) heeft in de puntgevel een klimmende spitsboogfries met driepassen. De randen zijn van natuursteen. De bovenzijde van de puntgevel heeft een ezelsrug van bakstenen. Bovenop staat een bloemkruis. In het gevelvlak staat in een spitsboognis een beeld van Sint Johannes Evangelist Op deze verdieping bevindt zich ook de voet van de vierkante toren.

4. De derde verdieping is de klokkenverdieping. In elk van de vier torenmuren zijn twee spitsboogvormige openingen als galmgaten. De galmgaten laten het geluid van de luidende klokken naar buiten klinken. De drie luidklokken hangen hier in hun stalen stoelen. De galmgaten hebben schuin geplaatste galmborden om regenwater buiten de toren te houden. Ook zijn hier de assen die de wijzers van de wijzerplaten bedienen. De wijzerplaten hebben een diameter van ca. 1 meter. Boven deze wijzerplaten is een afdekking in de vorm van een puntgevel.

5. Dan komen we aan de voet van de 18 meter hoge ingesnoerde achtkantige naaldspits met daarboven op een Latijns kruis en een  vergulde torenhaan.

Bart Beaard