Column Jack Thomassen De Hobbywinkel

Foto: Jack Thomassen

Jack Thomassen uit Drunen schrijft columns en korte verhalen. Voor onze lokale site Heusden Nieuws. zal hij regelmatig ook een column schrijven over zijn belevenissen en deze keer weer een nieuwe versie. Deze column gaat deze keer De Hobbywinkel

Op visite bij een klasgenootje van vroeger hebben we het natuurlijk over de schooltijd van toen. We zaten blijkbaar ook samen op de kleuterschool in de Pr. Bernardstraat. “Weet jij nog dat er een mevrouw op school kwam om van die krasjes op je arm te zetten?” Na enig nadenken schiet het haar ook te binnen. “O, ja! Dat is waar. Dat was om te controleren of je TBC had.” Niemand van onze klasgenootjes vond het leuk om met iets scherps in een arm gekerfd te worden. Maar omdat het nu eenmaal moest, zetten we ons schrap. Totdat haast uit het niets een jongetje een totale paniekaanval kreeg. “NEE! NEEE!! NEEEEEEE!!!”, gilde het arme jong en begon als door 7 wespen gestoken door de klas heen te rennen en te gillen. De juf kwam handen en voeten tekort om het manneke rustig te krijgen. Dit kon ze er natuurlijk niet bij gebruiken, met een stuk of 20 kindjes die misschien wel zouden gaan denken dat er armen werden geamputeerd ipv een simpel testje doen.

“Ken jij Peter P. nog? Dat was toen best al een stoer ventje. Toen wij allemaal met kort geknipte haartjes op de kleuterschool verschenen, liep hij al met haar tot op zijn schouders. Op een dag kwam hij met zijn rolschaatsen naar school. Dat mocht wel, als je ze binnen maar uitdeed. Ik zie hem nog over het schoolpleintje sjezen. Hij kon het al aardig… echter remmen ging nog niet zo goed. Hij reed met een flink vaartje op de deur van de school af en wist toen ineens niet meer hoe hij moest stoppen. De ruit naast de schooldeur maakte dat kinkelende geluid. Meisjes gilden. Jongens renden naar de ongeluksplek. De juffen kwamen ontzet dichterbij. Het was geen prettig gezicht. Peetje had zich lelijk gesneden. Hij was met zijn handen naar voren, dwars door de ruit gevallen. Heftig hoor.”

“Jouw vader had toch een soort van timmerwinkel?” Mijn ‘klasgenootje’ knikt van ja. “Klopt. Ons pa was één van de vele kleine ondernemers in Drunen. Hij had het best druk. Alleen kwam ik niet zo vaak in de winkel. Ik weet nog wel dat ie schroefjes en zo per stuk verkocht. Klanten kregen die dan in een papieren puntzakje mee naar huis. Tegenwoordig gaat bijna alles per vol doosje. Wij hadden trouwens al vroeg een telefoon. Wij hadden nummer 219. Grappig, hè? En er kwamen nogal eens mensen aan de deur om efkes te bellen. Volgens mij hadden we daarveur een soort van tellertje. Dat bellen was immers nie vur niks, war?”

Het begon me op te vallen dat we steeds meer Brabantse woorden gebruikten om herinneringen op te halen. Net als wanneer ik mijn vrienden John B. en John P. (ik noem ze vaak de Johnnies) tegenkom. Dan gaat HUP de knop om en praten we gewoon plat Drunens. Zoals we dat van thuis meekregen. John P. woonde vroeger op het Koning Willem2 plein in Drunen. Hem kwam ik een paar dagen na de visite bij Elly tegen. Omdat niet iedereen plat Brabants begrijpt, zal ik ons gesprek in netjes NL schrijven: “Oja, joh? Ben jij daar op bezoek geweest? Ja, die mensen ken ik wel, hoor. Die vader had een soort van Doe-Het-Zelf-winkeltje. Met een paar machines en een hoop hout en zo. Wij gingen daar altijd naartoe om vliegerhoutjes te halen. Van die mooie dunne latjes. Stevig ook. Want die vliegers maakten we toen nog allemaal zelf, hé? Met van dat flinterdunne papier en een grote klos touw.”

Bij mijn klasgenootje van vroeger had ik al een paar namen van wat ‘bijzondere’ buurtgenoten gehoord. Ik was benieuwd of John die ook kent: “Och, man! Af en toe dacht ik dat wij de enigste normale waren in de buurt, hahaha! Bij de familie K. gingen de pony’s gewoon via de voordeur, door het huis naar de achtertuin. En die ene buurman van ons, dat was pas een aparte. Die voerde de hele dag geen flikker uit. Volgens mij was ie ’s nachts een stuk actiever dan overdag! Als je snapt wat ik bedoel.”

Ikzelf had een keer een vervelende aanvaring met één van de zoons van die buurman: “Ja, ik weet nu ook weer wie dat waren. Ik weet nog goed dat ik een keer op een woensdagmiddag het plan had opgepakt om de wijde wereld eens te verkennen. Dus ging ik op mijn fietsje vanuit onze Pr. Hendrikstraat twee hoeken om, alwaar ik in de Irenestraat belandde en ter hoogte van het beruchte koning Willem2 plein werd opgewacht door 2 minigangstertjes, ene Eddy F. en Marco L. Ik kom ze nu nog weleens tegen. Ik moet zeggen dat ze inmiddels een stuk vriendelijker zijn dan toen.

Voor ik daarover ga vertellen, even dit: Vroeger waren  we al gauw blij met iets leuks. Nieuwe knikkers, een zakmesje om landje te veroveren. Een lelijk beschilderde haktol die, als hij ‘stond’ te draaien, ineens de prachtigste kleuren tevoorschijn toverde. En we hadden fietskleppers. Die maakten we van lege schoenpoetsblikjes, die we met een sterke elastiek aan de fietsvork klemden en door middel van een wasknijper een hard ratelend geluid maakte. Een speelkaart aan een wasknijper ging ook wel, maar maakte natuurlijk niet zo’n gruwelijk hard kleppergeluid. Het enige wat wij hadden waar batterijen in moest, was zo’n doos met kaarten met vakjes en gaatjes en 2 stekkertjes. Electro heette dat spel. Maar dat was voor als het regende. Binnen spelen was toen niet echt een leuke optie.

“Die twee etterbakjes zeiden niet veel. Hun lichaamstaal was echter duidelijk. Ik moest mijn fiets afgeven, waarna zij weleens lieten zien wat écht fietsklepperen was. Terwijl de ene mij in bedwang hield (alleen maar door een beetje boosaardig te kijken was al genoeg), zette de andere buurtcrimineel mijn fiets op z’n kop en begon hij aan een trapper te draaien. Steeds harder en harder. Toen bukte hij zich om een flinke stok op te rapen, die hij vervolgens met een misselijke glimlach op zijn gezicht, tegen de spaken aanhield. En nog eens en nog eens. Ik vreesde dat ik uiteindelijk lopend naar huis zou moeten. “Zo!”, zei Eddy F. “Dat noemen wij hier fietsklepperen. Hahaha!” Ze sloopten bovendien nog het schoenpoetsdoosje van mijn fiets, schopten het arme ding omver tegen de stoep en maakten dat ze wegkwamen. De lafbekken.”

Tsja, die eerste ontdekkingsreis was voor mij meteen al een wijze les geweest. Vanaf die woensdagmiddag zou ik het nooit meer vergeten: Op het koning Willem2 plein had ik blijkbaar niks te zoeken. Klaar. De wereld kon ik vast ook wel verkennen als ik de andere kant op fietste.

John had daar dus nooit last van gehad. Mede omdat hij ouder is en veel meer branie had. Maar dat moest ook wel als je uit een gezin komt met een stel oudere zussen. Intussen wist hij weer iets over zijn buren van vroeger:

“Ken jij die ‘melkrijders’ nog? Zij woonden bij ons om de hoek. Die familie Van H. had een paar zoons die meehielpen om melkbussen op te halen bij de boeren in Drunen.” En terwijl John daarover vertelt, herinner ik me weer dat er bij verschillende boerderijen in ons dorp die metalen melkbussen aan de straat stonden. Die werden opgehaald door mannen op een trekker met een platte kar erachter. “Die mannen hadden spierballen als staalkabels, jongen! Daar werd je gewoon bang van. En wist jij dat er hier en daar bij mensen achter ‘op d’n dam’ varkens werden geslacht? Dat was op boerderijen heel normaal. En bij ons in de buurt gebeurde dat ook soms. Ja, vroeger waren heel veel dingen anders dan tegenwoordig.”

We noemen nog een paar namen van kinderen uit onze klassen en omgeving. Van sommigen weten we dat ze allang niet meer in Drunen of zelfs in NL wonen. Die ene wielrenner, Henri M. Die woont nu in Frankrijk, net als één van zijn zussen. Terwijl de jongste van hen helemaal in Nieuw Zeeland woont. En ja, een paar ‘kinderen’ zijn inmiddels helaas overleden. “Met Elly had ik het daar nog over. Van een klasgenoot wisten we bijvoorbeeld wel dat zijn moeder al vroeg overleden was, maar daar stonden we niet bij stil. Dat ging allemaal aan ons voorbij. Net als in dat liedje van Rob de Nijs: ‘…en de dood was zoiets als de poes van mijn grootje.’ Wel zielig voor die kinderen.”

Met Elly en John heb ik nog veel meer besproken. Bijvoorbeeld dat er vroeger zoveel duivenmelkers waren. Over kinderen van gastarbeiders uit Turkije. Die spraken niet zo goed Nederlands en hadden het niet makkelijk. En toen werd er natuurlijk ook al gepest. Erg hoor. Verder hadden we nog winkeliers in de buurt. Bakker Van Eethen, kapper Assmann en de veelbesproken VéGé van de familie Van der Sande. “Daar ging ik stiekem naartoe om snoep te kopen van mijn traktement”, zei mijn klasgenootje. “Maar niet te vaak, want anders kwamen ons pa en ma daar achter.”

Vanzelfsprekend had ik om foto’s aan haar gevraagd. Vooral van het winkeltje van haar vader. Ze had er één, maar wel een hele leuke. Op de foto zagen we dat haar vader een bordje op de muur had geschroefd, met ‘Hobby Winkel’ erop.

Na het bezoek reed ik nog even langs Elly’s oude huis op de hoek van de Pr. Bernardstraat en het Pr. Margrietplein. En ja, hoor. Wat vroeger het ‘hobby winkeltje’ was, staat er nog. Alleen is het nu een garage. Volgens mij met dezelfde golfplaten van de oude heer Muller erop. Vermoedelijk met het nodige asbest. Dat overigens gewoon in de winkel gezaagd werd, hè. Het viel me op dat de pleintjes nu een stuk kind-vriendelijker zijn geworden. Maar verder lijkt het of de tijd hier heeft stil gestaan. Haast niks veranderd. Jammer dat die winkeltjes er niet meer zijn. Geen groenteboer meer. Geen sigaren- of een timmerwinkeltje. Geen buurtsuper en geen melkboer aan huis.

Als ik door ons dorp fiets, komen vaak herinneringen aan mijn jeugd terug. In dat huis daar, tegenover het Oranjeveld, woonde mijn kameraad Henk. Op dat Oranjeveld vliegerden en voetbalden we tot het te donker werd of de bal over het hek van het hertenkamp geschoten werd. Het noodkerkje met de 2 leslokalen. Mijn geboortehuis in de Pr. Hendrikstraat. Ons pa die ons naar binnen riep omdat ‘de Apollo’ op TV was. De kleuterschool in de Bernardstraat. Het huis waar ik op het platte dak geklommen was en de eigenaar toen de politie had gebeld en die daarna bij ons aan de deur kwam. De meisjes die op het pleintje in de Amalia van Solmsstraat speelden, waar ik stuk voor stuk verliefd op was. Ach, er is soms zoveel om aan terug te denken. Veel mensen hebben daar jammer genoeg niks mee. Nou, u mag best weten. Ik wel. En diep in mijn hart, hè… en misschien u ook wel… verlang ik toch stiekem heel vaak naar die tijd terug.

Begin de dag met het nieuws uit je gemeente met de gratis Nieuwsbrief. KLIK HIER en meld je aan.
Aanvoerder van het lokale nieuws.

Reacties